Hortus in Franeker

Naast het 'dode' studiemateriaal (herbarium en xylotheek) beschikte de Franeker universiteit ook over 'levend' studiemateriaal in de vorm van een hortus. In Franeker was vanaf 1589 een hortus medicus te vinden. In deze kruidentuin werden aanvankelijk geneeskrachtige planten gekweekt. Omstreeks 1750 verschoof de aandacht in de richting van plantkundig onderzoek. De naam veranderde van hortus medicus in hortus botanicus. Aan het einde van de 18de eeuw was de Franeker hortus een van de belangrijkste botanische tuinen van Europa geworden. Met het einde van de Franeker universiteit in 1811 viel deze beroemde verzameling uiteen. Een klein deel van de planten werd per trekschuit naar de hortus van de Groninger universiteit vervoerd om daar in de collectie te worden opgenomen en zo beschikbaar te blijven voor onderzoek.

Afzonderlijke afbeeldingen van de hortus van de Franeker hogeschool zijn er zover wij weten niet. Wel geven de verschillende stadsplattegronden een indruk van de inrichting van de tuin. Op die van 1598 door Pieter Bast, in Pierius Winsemius' Chronique van Friesland (1622), is geen tuin ingetekend. Echter in een brief aan Caspar Bauhin (Franeker 20 augustus 1594) schrijft Raphael Pelecius, de latere (1603-1608) professor Clingbijl: 'Gisteren heb ik met de Franeker tuinman een rondgang door de hortus botanicus gemaakt.' Een hier niet afgebeelde kaart van Frederick de Wit, gedrukt van de koperen plaat die Johannes Jansonius voor zijn Stedenboek (1657) gebruikte, geeft de situatie van vóór 1643 (Blaeu) weer: de tuin is één groot kwadraat, dat cirkelvormig is opgedeeld.
Johan Blaeu vervaardigde een nieuwe plattegrond ('novissima delineatio') van Franeker voor zijn Tooneel der Steden (Amsterdam 1649). Deze kaart voorzag hij van een opdracht aan rector J.A. van der Linden; de plattegrond is dus te dateren op 1643/44. Er moet wel een vriendschappelijke band tussen Blaeu en Van der Linden bestaan hebben. Tevens is hiermee aangetoond, hoe vroeg Blaeu reeds aan zijn stedenatlas begonnen is. De atlas werd losbladig verkocht: de koper kon hem naar eigen smaak laten inbinden en nieuwe bladen bij verschijnen invoegen.
Op Blaeu's plattegrond is de tuin verdeeld in vier kwadraten en aan vier zijden rond het geheel zien we loodsen, die dienden voor overwintering van planten en opbergruimte van tuingereedschap. In een van deze gebouwtjes zal ook de hovenier gewoond hebben: de eerste, op aandrang van Winsemius door Gedeputeerde Staten benoemd, heette Johannes Schovingius. De indeling van de vier perken is verschillend en niet zo praktisch voor bewerking als in Leiden. Mogelijk is Padua het (klassieke) voorbeeld geweest. De uit Heerenveen afkomstige tuinman Schowing of Schouwen werd op 29 juni 1646 ingeschreven in het album studiosorum als kandidaat in de geometrie(!) Diezelfde dag deed hij examen, de volgende dag werd Joannnes Alberti Schouwen door het Hof van Friesland geadmitteerd als landmeter.
Christianus Schotanus' Beschrijvinge van de Heerlijckheijdt Friesland (1664) bevat als plattegronden van de 11 steden navolgingen van Blaeu op kleinere schaal, zij het dat die van Hindeloopen helemaal nieuw is en die van Franeker verbeterd door de landmeters Sjoerd Ates Haacma en Sytse Gravius. Deze plattegrond van Franeker is te dateren na de dood van professor Bernardus Fullenius (27-1-1657). Bij nauwkeurige beschouwing ziet men dat eerst Blaeu's kaart nagetekend is en dat daarna pas correcties in de plaat zijn aangebracht.
Er is een toegang tot de hortus gemaakt vanuit het Zuiden (op de kaart midden boven). Daartoe zijn twee huizen aan de Schilbanck (4) weggebroken. De lange lage loods ten Oosten van de vier perken (op de kaart links) is afgebroken (en een sloot gedempt) in verband met het uitzicht op de hortus vanuit het over de gehele breedte van de tuin gebouwde huis (links van de letter C) voor de hoogleraar in de botanie. De kosten van dit (nog bestaande) fraaie gebouw schijnen hoog opgelopen te zijn. Op 23 februari 1649 zonden Gedeputeerde Staten namelijk een commissie naar Franeker om 'de aangevangen Bouwerije van de Academie' op de minst kostbare wijze te doen afwerken. In 1650 is het huis door Van der Linden betrokken. -- Houdt een en ander ook verband met het feit, dat Van der Linden in 1649 voor Utrecht bedankte, maar in 1651 wel naar Leiden ging? -- Een gedeelte van het gebouw was bestemd om planten en boompjes gedurende de winter te bewaren; het deed dus ook dienst als orangerie.
Door Menelaus Winsemius en zijn opvolgers is veel aandacht besteed aan de hortus botanicus. Winsemius kreeg op 13 april 1632 van Gedeputeerde Staten toestemming om voor maximaal 500 gulden de tuin in te richten; bouwmeester Lens werd opgedragen de muur rond de hortus te herstellen. Aan Philippus Matthaeus werd op 20 juli 1661 ten hoogste 300 gulden per jaar beschikbaar gesteld, om planten, kruiden en potten te kopen. Toen dat bedrag niet toereikend bleek, werd het op 19 maart 1662 tot 400 gulden verhoogd.

Bron: M.M.H. Engels, klik hier voor link

Nu te zien